In tegenstelling tot vorige congressen, waar ik altijd met veel energie vandaan kom, verliet ik dit congres met een licht gevoel van teleurstelling. Het duurde even voordat het me lukte om daar de vinger op te leggen. De Europese congressen positieve psychologie zijn altijd een feest van inspiratie en bezieling en die miste ik deze keer op meerdere momenten. De opening was tam en de keynotes waren wisselend van kwaliteit. Het programma was onhandig georganiseerd, waardoor er op het ene moment veel te veel en op andere momenten nauwelijks iets van mijn gading stond geprogrammeerd. Ook het thema “Body Meets Mind: Positive Psychology and Health for Everyone” kreeg nauwelijks een praktische invulling. Dit congres was uitermate cognitief en mijn lijf heb ik alleen gevoeld op het galadiner, toen we leerden line-dancen. Tegelijkertijd waren er meer dan genoeg pareltjes op het grote podium en in de workshopruimtes en de ontmoetingen met oude en nieuwe vakgenoten leidden tot veel waardevolle momenten.
Er waren dus een aantal aanwijsbare redenen voor mijn teleurstelling, maar er speelde ook iets in de onderstroom, een collectief thema, waar ik moeilijker vat op kreeg. Pas toen ik mijn favoriete sessies voor dit stukje op een rijtje ging zetten, kon ik die onder woorden brengen. Andrea Downie verwoorde het scherp door te stellen dat met 25 jaar onderzoek naar welbevinden in combinatie met een burnoutepidemie, de aandacht voor welbevinden besmet raakt. Die stelling kreeg een scherp randje in de keynote van Carol Ryff, die de titel had “The privilige of well-being in an increasingly unequal society: what does it mean for health”. Welbevinden dreigt een voorrecht te worden, weggelegd voor slechts een handjevol mensen. Verderop in de conferentie riep Frank Martela op om te stoppen met het najagen van geluk, omdat we ons amper realiseren wat ons gelukkig maakt, waardoor we vaak de verkeerde keuzes maken. En Joar Vittersø legde een logisch verband tussen het goede leven en moreel fatsoen.
Stuk voor stuk daagden deze sessies uit om na te denken over de impact van ons werk. In plaats van hapklare brokken kennis en direct bruikbare toepassingen, werden er nu concrete vraagtekens gezet bij onze relevantie. En dat creëerde een zekere rusteloosheid en zorgde voor een ondertoon van twijfel en machteloosheid, van voelen dat er iets anders nodig is dan we nu bieden, maar nog niet weten hoe daar vorm aan te geven. Dit congres deed een actief appèl om meer aandacht te gaan besteden aan “welzijn van het geheel”, een blik die niet vanzelfsprekend is voor de psychologie, waarin we ons bij voorkeur richten op het individu.
Voor de invulling daarvan neem ik je mee naar vijf van mijn favoriete sessies.
Carol Ryff roept ons op om in plaats van ons te richten op het welbevinden van het individu, meer te doen in het publieke domein. Want daar worden tenslotte de middelen verdeeld. Ondanks de extreme rijkdom van enkelen, leven er nog steeds veel mensen in extreme armoede. Daarbij komt dat die extreme rijkdom de democratie ondermijnt en voor veel conflicten zorgt. Dat maakt van geluk een ethisch vraagstuk en zij roept op om te zoeken naar oplossingen die doordacht zijn, moreel verantwoord en praktisch toepasbaar. Als voorbeelden daarbij noemt ze onder andere Ingrid Robeyns, schrijfster van het boek “Limitarism, the case against extreme wealth” en Rutger Bregman met zijn boek over Morele Ambitie. Toch leuk als een Amerikaanse op een Iers podium twee Nederlanders aanhaalt.

Daarbij gebruikt ze een quote van John Stuart Mill:
“Alleen zij zijn gelukkig (…) die hun aandacht richten op iets anders dan hun eigen geluk: op het geluk van anderen, op de vooruitgang van de mensheid, of zelfs op een kunst of bezigheid die zij niet als middel beoefenen, maar als een ideaal doel op zichzelf. Door zo naar iets anders te streven, vinden zij onderweg het geluk.”

Dit is iets waar ook Frank Martela op wijst. Martela is een eigenzinnige Finse filosoof, onderzoeker op het gebied van de positieve psychologie en schrijver van het boek ‘Stop chasing Happiness”. Onomwonden stelt hij dat we ons bij onze zoektocht naar geluk de verkeerde doelen stellen. Vooral omdat we vaak niet weten wat ons gelukkig maakt. Het wordt nooit zoals je had gehoopt en er blijft altijd twijfel of iets anders je niet nog gelukkiger had kunnen maken. Daarbij is de jacht op geluk bijzonder ego-gericht en dat maakt je eenzaam. Kortom, het actief najagen van geluk maakt je vooral ongelukkig.
Ook hij stelt (net als Stuart Mill) dat geluk niet een doel moet zijn, maar het bijproduct is van een leven dat goed loopt. Daarbij gebruikt hij de metafoor van de thermometer.
“Als de thermometer aangeeft dat de temperatuur te laag is, ga je niet de thermometer maken, maar de condities aanpakken”.
Die draaien vooral om zorgzame, wederkerige relaties met anderen en positieve impact op anderen. Gevoelens en emoties spelen daar een belangrijke rol in. Mensen zijn biologische wezens en waarderen hun leven vanuit de fysieke ervaring. Momenten van geluk en frustratie horen erbij en sturen je gedrag. Een reflectieve houding sterkt je in het vinden van een duurzame weg naar persoonlijk geluk. Niet door erop te jagen, maar door het proefondervindelijk te ontdekken.
Martela adviseert een grondhouding van:
- Acceptatie van het verleden: accepteer wat je niet kunt veranderen. ‘‘Wees als de rots waartegen de golven blijven beuken.” — Marcus Aurelius.
- Meliorisme voor de toekomst, de instelling dat je wereld kunt verbeteren en dat je door eigen inspanningen en acties kunt bijdragen aan vooruitgang. Vraag je daarbij af wat de wereld nodig heeft, wat jij aan middelen en vaardigheden hebt en hoe je daarmee een unieke bijdrage kunt leveren aan het algemeen belang.
- Appreciatie van het heden, “waardeer de kleine goede dingen”
Ook in de workshop van Andrea Downie over wellbeing op de British School Jakarta (BSJ) stond het belang van welbevinden van het collectief en het realiseren van de juiste condities daarvoor centraal. Zij stelt dat welbevinden een emergent proces is dat ontstaat als de condities kloppen. Een organisatie is niet in staat om welbevinden te creëren. Het is wel in staat om de condities te creëren waaronder welbevinden kan ontstaan. Emergentie is niet een willekeurig proces is, maar heeft een voedingsbodem nodig in de vorm van vitale relaties tussen mensen, helpende structuren, een stimulerende omgeving en cultuur. In een inspirerend filmpje heeft ze vastgelegd hoe ze dat heeft aangepakt:

Daarmee maakt ze korte metten met de opvatting dat welbevinden een beleidspoot is die je projectmatig kunt implementeren. Of dat je goede ervaringen van de ene plek kunt copy/ pasten naar een willekeurige andere plek. Of dat het wel goed kont als je maar gecommitteerd bent. Ze is ook uitermate kritisch op het kijken naar de mens als veroorzaker van de problemen in een systeem. Ze concentreert zich op het inrichten van een vitaal systeem en heeft weinig op met interventies die zich richten op het vergroten van individuele welbevinden.
Joar Vittersø, professor Sociale Psychologie aan de Arctic University of Norway, maakt met een helder voorbeeld duidelijk waarom je niks hebt aan het verzamelen van individuele positieve ervaringen. Iemand kan je vertellen dat hij heel tevreden is, maar de impact daarvan wordt pas duidelijk als hij daaraan toevoegt dat hij net zijn irritante buurman het ziekenhuis in heeft geslagen. Van een positieve ervaring van de een wordt het daarmee tegelijkertijd een negatieve ervaring voor de ander. De titel van zijn bijdrage luidde “Het goede leven en moreel fatsoen – waarom positieve psychologie normatief dient te zijn”. Je handelt altijd op twee niveaus, dat van je unieke persoonlijke belang en dat van het collectieve. Bij je individuele afwegingen spelen competitie, macht en status een rol in je gedrag. Bij de collectieve afwegingen zijn samenwerking en zorg voor elkaar centrale thema’s. Er is moraliteit nodig, om af te wegen hoe de wereld beter kan worden.

Het particuliere gevoel van ‘je goed voelen’ is een ‘systeem 1 reactie’, snel en reflexmatig. Dat zegt nog niet zoveel. Hier haalt hij de filosoof Martha Nussbaum bij aan die stelt dat tevredenheid een verkeerde ambitie is. Ze vergelijkt die met domme, grazende dieren, stappend van het ene korte moment van bevrediging naar het volgende. Tevredenheid over je leven is niet waardevrij. Het vraagt om reflectie (een systeem 2 afweging) en een verbinding met hogere waarden. Daarbij grijpt hij terug op Aristoteles. In diens filosofie gaat het niet alleen om iets goed te doen. Dat dien je ook op de juiste manier te doen, met de goede redenen en met de juiste gevoelens.
Het draait dus om de integratie van moraliteit en de persoonlijke ervaring. Moraal is objectief. Denken en voelen zijn subjectief. Moraal leeft in het “Wij-gebied” en gaat voor “Mij”. “We before Me”. Door het goede te doen, voel je je goed.
In de afsluitende sessie van Christian van Nieuwerburgh, een van de organisatoren en professor Coaching en Positieve Psychologie aan de University of East London, wordt het appèl om met je gedrag een bijdrage te leveren aan het beter maken van het collectief (We before Me) praktisch gemaakt met de drie concrete vragen waar hij ons mee naar huis stuurt:
- Wat is je positieve intentie in het hier-en-nu?
- Hoe wil ik daarin zijn en handelen?
- Hoe zou het eruit zien als ik 10% moediger zou zijn.

Mijn conclusie is dat het congres ons heeft opgeroepen om na te denken over onze relevantie en uitdaagt om meer lef te tonen in het publieke domein. Om de veilige haven te verlaten van onze positieve psychologie-bubbel. Meer samen te werken met andere disciplines en krachten te bundelen. Ons veel meer te gaan richten op systemen en te leren hoe je een gezonde voedingsbodem creëert voor het floreren van velen, in plaats van ons te beperken tot de ‘happy few’.